(eigen vertaling van 1 Petrus 1)
Het komend jaar hebben we het in onze gemeente over vreemdelingschap. De aftrap van dat thema was op de startzondag in de Gudulakerk (helaas konden we vanwege het weer niet buiten bij de Boekhorst samenkomen). Een groep jongeren uit Lochem en Dordrecht gaf de dienst kleur. Als vervolg op een korte preek hebben we in groepen met elkaar gesproken over vreemdeling zijn. De jongeren waren bewust verspreid over de groepen. Dat leverde ook een gesprek op door de generaties. Het ging onder andere over de vraag of we ons zelf konden verplaatsen in hoe het is om vreemdeling te zijn. Concreter: of je je weleens vreemdeling hebt gevoeld. Naar ik begreep leverde dat juist door de gesprekken tussen jong en oud echte ontmoetingen op. Een aantal jongeren zei later: onderling praten we eigenlijk helemaal niet vaak over dit soort dingen. Tja, wanneer is een mens een vreemdeling en wanneer ben je ergens echt thuis. De Bijbel is vol van dat thema en maakt aan de ene kant duidelijk dat wij geroepen zijn om de vreemdeling gastvrij in ons midden op te nemen en aan de andere kant dat wij zelf als gelovigen in zekere zin altijd vreemdelingen blijven. In de Bijbel geeft vooral de eerste brief van Petrus aan dat laatste veel aandacht. Een volgeling van Jezus Christus is tot op zekere hoogte een vreemdeling. Dat was lange tijd minder merkbaar in ons ‘christelijke’ Europa, maar dat is aan het verschuiven.
Als ik de opmerkingen lees die opgeschreven zijn op de vellen van de startzondag, dan bespeur ik daar een gevoel van vreemdelingschap. Je bent vreemdeling als je de taal niet kent, de cultuur, het land, maar ook als je buitengesloten bent uit de groep, als je onbegrepen bent en zelfs door je geloof kan dat.
De opdracht is dan duidelijk: elkaar werkelijk ontmoeten, luisteren naar de ander. De brief van Petrus gaat er uitgebreid op in: door onze manier van leven kunnen we als volgelingen van Jezus een voorbeeld stellen. Zo kunnen we vijandschap overwinnen. Een vreemdeling kan je de ogen openen voor de eigenheden van je cultuur, ook voor de ‘zwakke’ plekken van die cultuur. Ik heb van vreemdelingen vaak een onvoorstelbare gastvrijheid geleerd, ook dat ’tijd’ een soort dwangmatig begrip is in onze cultuur. De kunst lijkt mij om altijd een beetje vreemdeling te blijven en tegelijk daardoor de ander werkelijk te zien als een mens geschapen naar Gods beeld. Ik hoop op een prachtig jaarthema.
Paul Wansink